Stel je voor dat je een elektrische installatie inspecteert en een hoge weerstand (100 ohm) meet tussen de faseleiding en de beschermingsleiding, oftewel Zs. We hebben in dit voorbeeld te maken met een TT-stelsel, de netbeheerder levert namelijk geen aardingsvoorziening.
Deze hoge weerstand is een probleem omdat bij een kortsluiting tussen de faseleiding en de beschermingsleiding slechts 2 ampère stroom zal lopen. Dit is onvoldoende om een installatieautomaat van 16 ampère te activeren, omdat de automaat dit ziet als normale belasting in plaats van een gevaarlijke situatie, zoals kortsluiting.
Wat schrijft de norm voor?
In de elektrotechnische branche wordt vaak verondersteld dat een aardlekschakelaar dit probleem kan oplossen. Dat klopt, maar volgens bepaling 411.3.3 van NEN 1010:2020 is een aardlekschakelaar verplicht voor groepen met algemene wandcontactdozen. En dan zit de aardlekschakelaar er als ‘aanvullende bescherming’ en niet als ‘foutbescherming’.
Bij een hoge circuitimpedantie tussen fase en de beschermingsleiding is dat een probleem, want:
Volgens 415.1.1 uit NEN 1010:2020 biedt een aardlekschakelaar aanvullende bescherming in het geval van:
- een defect aan de voorziening voor basisbescherming;
- een defect aan de voorziening voor foutbescherming;
- zorgeloosheid van de gebruiker.
Met een circuitimpedantie tussen fase en de beschermingsleiding van 100 ohm, een groen-gele draad en installatieautomaat als foutbescherming en een aardlekschakelaar met de functie ‘aanvullende bescherming’ heb je geen back-up zoals geëist in 415.1.1 uit NEN 1010.
Stel dat je als inspecteur SCIOS een inspectie scope 8 doet. De aardlekschakelaar voor ‘aanvullende bescherming’ blijkt tijdens meting en beproeving defect te zijn. Wat zou er dan in deze casus defect zijn, de foutbescherming of de aanvullende bescherming?

Stel je bepaalt dat de aardlekschakelaar er als aanvullende bescherming zit, dan classificeer je dit gebrek (mogelijk volgens IB22) als ‘gering’, terwijl NEN 1010 hier eigenlijk heel duidelijk is, je hebt hier te maken met een onaanvaardbaar risico, zie 131.2 Bescherming tegen elektrische schok.
Concreet
Je mag de aardlekschakelaar niet voor beide beschermingsmaatregelen tegelijk gebruiken (conform NEN 1010). In situaties waar de weerstandswaarde (Zs) laag genoeg is en de kortsluitstroom hoog genoeg is, worden algemene wandcontactdozen beveiligd door aardlekschakelaars voor aanvullende bescherming. De groen-gele draad in combinatie met de installatieautomaat zorgt voor foutbescherming. Als de foutbescherming faalt, zou de aardlekschakelaar moeten ingrijpen.
De bepaling wordt verder ondersteund door 415.1.2, waar staat dat het gebruik van aardlekbeveiliging (30 mA) als aanvullende bescherming niet als een opzichzelfstaande beschermingsmaatregel wordt beschouwd. Dit maakt de toepassing van een van de beschermingsmaatregelen zoals genoemd in 411 t/m 414 niet overbodig.
Hier staat dat er een combinatie van beschermingsmaatregelen moet worden toegepast.



